vrijdag 4 januari 2013

HERINNERING



2.

Zo drijft nevel als een lint
achterwaarts het heden in, ik heb hem weer
daar staat hij weer zoals voorheen
stukken groter dan het kind

en harder, doelgericht
drijft hij zijn woorden door
geen stemverlies, ook geen gezicht
het is er nog, het gebaar dat angst aanjoeg


was de ziel maar dicht, tot aan de nok gevuld
met dromen, de drempel hoog genoeg
om het verleden te keren; was het maar
droog gebleven

in het huis waar ik woon
elke dakpan op zijn plek
het gordijn onbewogen -

HERINNERING



1.

Zo komt slagregen het huis binnen:
door een bewegend vliegengordijn
kamerraam op een kier
dakpannen door de tijd opzij geschoven

op de tegelvloer vormt zich een plas
die pas verdampt als de zon binnenvalt
door dezelfde spleten, scheuren
en een blinde vlek overblijft


zo slaat wat op regen lijkt
de ziel binnen: drempel uitgehold
deurkozijn los van scharnier
grendel versleten

en ligt op de bodem tot verwaaien begint
er zon bij komt
het nevel wordt -

dinsdag 9 oktober 2012

WAAR HET VANDAAN KOMT



Ik hoorde de stilte in het kabaal
en in de stilte het huiververhaal
over de levensechtheid van doden en dingen
het gestage slijten van de drang der zinnen
van de hang naar elkaar

ik hoorde vallende vogels
verzet tegen dwingen
de vraag wat is waar

hoorde hoeven op klinkers
ongeoorloofde kogels
hamer op taal -

maandag 8 oktober 2012

NIET HET GROTE



Het is niet zo dat je je in nood
vastklampt aan bomen, bij misgaan
terugkeert naar het begin

om te berekenen waar je terecht
wilt komen, nee, je grijpt al dolend
de strohalm, houdt je hart vast

om woorden zomaar gezegd
vergeefse gebaren vergeten begeren
zomaar links en rechts weggelegd

nee, niet het grote, de bomen;
als het stormt zoek je steun
bij het bijna onvatbare

met de wind meebuigende
broze -



Uit Vrije val

dinsdag 10 januari 2012

DE PAARDEN


DE PAARDEN (5)



Van mij

Ik droom van paarden in het donker.
Ze komen vanuit het niets
en gaan nergens naartoe; ze doen alsof.
Mijn blikveld is een zwarte kamer
met muur als oogklep, deur op slot.

Voer genoeg voor de duur van de wanen.
Uit hoeken en gaten komt wat mij dwarszit
tevoorschijn gedraafd, angst voorop.
Volle ruif met stekelig goed, volle drinkbak
met bloed. Manen slingeren zich om armen
en benen, hoeven hameren
het houvast kapot.

De paarden zijn van diep gekomen
en gaan naar diep terug. De stal in mijn hoofd
loopt over van dromen. Geen zweep, geen
roep, geen ruk aan de teugel
houdt ze in toom.

maandag 9 januari 2012

DE PAARDEN

DE PAARDEN (4)

Van mijn grootvader

Hij besloeg ze. Hij koelde zijn woede
op hoefijzers, legde zijn wil op
aan hengsten die zich briesend verzetten
tegen de hamer, dwong onderwerping af
met een paar woorden, zijn taal, een vloek.

Joeg zijn zoon het ambacht in. Beval hem
gevoel als vloeiend metaal in water te koelen
tot het de tijd kon doorstaan, gebood hem
zijn rug te krommen onder de paarden
vanaf zijn twaalfde jaar.

Het aambeeld een altaar waarop onschuld geofferd.
Een voorschoot van leer verhulde
hoe jong nog, hoe teer; op een foto
heft de kleine - mijn vader - de moker
als een pauwenveer.

Hij verdroeg ze, de vrouwen;
ging ook zonder zijn gang. Wachtte
zwijgend achter het raam op het laatste,
het einde. Was ook daarvoor niet bang.

DE PAARDEN

DE PAARDEN (3)

Van Camille Claudel

Ze zeggen dat het paarden waren die haar bij de beelden
vandaan haalden, dat het een koets was die haar afvoerde
op verzoek van een dichter, de enige broer.

Zij hoorde paarden zeggen ze, nog voor die dichterbij
draafden, zag de dreiging in de dag
voor hij aanbrak, voorvoelde nacht na nacht onraad.
Aan gruzelementen hakte ze tenslotte het harde
dat ze voor de verloren liefde aanzag.

Wanhoop valt niet te bewijzen, tranen
verdrink je, woorden van zielenpijn leer je verzwijgen
maar waanzin is te zien aan gedrag:
tot haar dood bleef ze in een gesticht
onder scheefgegroeide platanen
op de verzoening wachten.

Paarden verraden in het groot en er zijn mannen
met hoeven. Een verliefde vrouw geeft zich bloot,
geeft zich weg, houdt soms weinig over; er wordt gezegd
dat minnaar en broer het erg ver brachten, dat zij
in de tussentijd verwerd tot een sprakeloos kind,
het haar in een vlecht, strik eromheen,
blik voor altijd gericht op leegte,
de aan hartstocht bezweken beeldhouwershanden
verzacht tot fluweel in haar schoot.