maandag 8 oktober 2012

NIET HET GROTE



Het is niet zo dat je je in nood
vastklampt aan bomen, bij misgaan
terugkeert naar het begin

om te berekenen waar je terecht
wilt komen, nee, je grijpt al dolend
de strohalm, houdt je hart vast

om woorden zomaar gezegd
vergeefse gebaren vergeten begeren
zomaar links en rechts weggelegd

nee, niet het grote, de bomen;
als het stormt zoek je steun
bij het bijna onvatbare

met de wind meebuigende
broze -



Uit Vrije val

dinsdag 10 januari 2012

DE PAARDEN


DE PAARDEN (5)



Van mij

Ik droom van paarden in het donker.
Ze komen vanuit het niets
en gaan nergens naartoe; ze doen alsof.
Mijn blikveld is een zwarte kamer
met muur als oogklep, deur op slot.

Voer genoeg voor de duur van de wanen.
Uit hoeken en gaten komt wat mij dwarszit
tevoorschijn gedraafd, angst voorop.
Volle ruif met stekelig goed, volle drinkbak
met bloed. Manen slingeren zich om armen
en benen, hoeven hameren
het houvast kapot.

De paarden zijn van diep gekomen
en gaan naar diep terug. De stal in mijn hoofd
loopt over van dromen. Geen zweep, geen
roep, geen ruk aan de teugel
houdt ze in toom.

maandag 9 januari 2012

DE PAARDEN

DE PAARDEN (4)

Van mijn grootvader

Hij besloeg ze. Hij koelde zijn woede
op hoefijzers, legde zijn wil op
aan hengsten die zich briesend verzetten
tegen de hamer, dwong onderwerping af
met een paar woorden, zijn taal, een vloek.

Joeg zijn zoon het ambacht in. Beval hem
gevoel als vloeiend metaal in water te koelen
tot het de tijd kon doorstaan, gebood hem
zijn rug te krommen onder de paarden
vanaf zijn twaalfde jaar.

Het aambeeld een altaar waarop onschuld geofferd.
Een voorschoot van leer verhulde
hoe jong nog, hoe teer; op een foto
heft de kleine - mijn vader - de moker
als een pauwenveer.

Hij verdroeg ze, de vrouwen;
ging ook zonder zijn gang. Wachtte
zwijgend achter het raam op het laatste,
het einde. Was ook daarvoor niet bang.

DE PAARDEN

DE PAARDEN (3)

Van Camille Claudel

Ze zeggen dat het paarden waren die haar bij de beelden
vandaan haalden, dat het een koets was die haar afvoerde
op verzoek van een dichter, de enige broer.

Zij hoorde paarden zeggen ze, nog voor die dichterbij
draafden, zag de dreiging in de dag
voor hij aanbrak, voorvoelde nacht na nacht onraad.
Aan gruzelementen hakte ze tenslotte het harde
dat ze voor de verloren liefde aanzag.

Wanhoop valt niet te bewijzen, tranen
verdrink je, woorden van zielenpijn leer je verzwijgen
maar waanzin is te zien aan gedrag:
tot haar dood bleef ze in een gesticht
onder scheefgegroeide platanen
op de verzoening wachten.

Paarden verraden in het groot en er zijn mannen
met hoeven. Een verliefde vrouw geeft zich bloot,
geeft zich weg, houdt soms weinig over; er wordt gezegd
dat minnaar en broer het erg ver brachten, dat zij
in de tussentijd verwerd tot een sprakeloos kind,
het haar in een vlecht, strik eromheen,
blik voor altijd gericht op leegte,
de aan hartstocht bezweken beeldhouwershanden
verzacht tot fluweel in haar schoot.

zondag 8 januari 2012

DE PAARDEN

DE PAARDEN (2)

Van Napoleon

Ze dolen lukraak over steppen, eten
onrijp graan en verdragen het onverdraaglijke:
oorlog, zwepen, kou; rondom
verschroeit de aarde -

Welke geest baarde dit plan, wiens waan
dreef ze het kale landschap in
man na man valt
alles ligt in vorst te krimpen
wat een wak lijkt is een graf
dat bovengronds stapelt
stapelt -

Wie in het hoogste zadel zit trekt aan de langste teugels.
Zet de terugtocht in roept hij, ontvlucht mijn droom
het is de hel gebleken, Moskou brandt -

Ze dolen alle kanten uit. Strompelen
zonder helden zonder wapentuig
naar huis. Eeuwigheid
duurt vijf weken.

DE PAARDEN

DE PAARDEN (1)

Van Picasso

Er is er een die huilt.
Het schilderij geeft geen geluid
toch is de jammerklacht te horen
boven de chaos uit: het dier
steigert van de pijn, voorgoed,
altijd, van het verslagen zijn
en afschuw van geweld.

De stier hoort bij een rode lap
maar alles is hier grijs en zwart
en die hem uitdaagt is geen held: lafheid
voert de boventoon, een dood kind
drukt de onschuld uit, Guernica
wordt vertrapt.

De schilder heeft een paard gezien
dat radeloos
dat huilt -

zaterdag 17 september 2011

VOORDRACHT POEZIEFESTIVAL SARAJEVO 23-26 SEPTEMBER

DE OORLOG IS EEN VROUW MET EEN VLOERKLEED OP HAAR RUG



Zie haar eens lopen, de vrouw. Het opgerolde vloerkleed steekt ter hoogte van haar schouderbladen wel een meter uit haar oude lichaam. Ze is net een ezel met takkenbossen, een os met een juk. Zie haar eens lopen, zie haar zwaar en traag vluchten met op haar rug het kleed dat ze nog maar pas met haar versleten bezem heeft geveegd. Waar ze een halve eeuw op heeft geleefd.
Ze ziet niet op of om, waarom zou ze: wat achter haar ligt is platgebrand, vóór haar worden alvast kuilen gegraven en aan weerszijden van haar pad zetten uitgehongerde zwerfhonden hun tanden in alles wat op een kadaver lijkt.
Ze staat niet stil als er wordt geschoten. Ze hurkt niet. Laat zich niet voorover in het stof vallen. Houdt geen arm voor haar gezicht en stopt geen vingers in haar oren. Zoekt geen dekking in ruïnes of paardenstallen. Ze loopt en loopt, staat zelfs niet stil om op adem te komen of haar hart tot kalmte te manen. Ze loopt almaar door.
Hoor haar eens zwijgen. Haar woorden heeft ze, vluchtend, achter zich gelaten. Een voor een heeft ze ze uitgesproken, uitgespuwd tot haar keel en mond leeg waren, tot ze alleen zo nu en dan nog een kreet kon slaken of schreeuwen; hoe langer ze liep hoe stiller ze werd. Ze hoort en ziet zonder woorden. Wat ze voelt heet niet eens meer verdriet. Schrijnen niet eens pijn.


Haar gedachten houden haar gaande.
Wat ze, blindelings voor de oorlog uit vluchtend, denkt, is dit:
Vloerkleed, ik heb je geweven. Ik heb je patroon getekend, je wol gesponnen en geverfd in rood, groen en geel. Zingend heb ik je leven gegeven zonder te weten wat het leven was. Ik heb op je gelegen. Eerst alleen. Later met een man. Weer later met kinderen die aan me zogen en zich in me vastbeten. Ik heb op je liggen slapen, liggen waken. Ik heb op je gebloed en gebraakt en ben over je heen gelopen. ’s Winters kwam je onder de modder te zitten, ’s zomers drong het zachte zand tot diep in je polen. In de lente en de herfst heb ik je steeds schoon geborsteld en in de wind gehangen. Ik heb je weer uitgerold met handen die sterker en harder werden. Met dezelfde azijn waarmee ik de augurken inlegde heb ik jaarlijks je rood, groen en geel opgehaald. Ik heb je uitgebreid. Groter gemaakt. Ik heb je de maat van de plek van mijn geluk gegeven. Vloerkleed, wat weeg je me zwaar.



Ze denkt ook:
Waar is mijn man. Waar zijn mijn kinderen heengegaan. In welke richting hebben de geweren hen gedreven. Hebben ze misschien zelf geweren in de hand.



En dan, een dorp verder, denkt ze:
Kleden herinneren zich mensen.
En:
Kleden beschermen mensen.
En, tenslotte:
Kleden zijn mensen.



Een kleed is een kind denkt de vrouw, en die gedachte houdt haar gaande.
Ze draagt haar kind op haar rug. Ze redt het door voor de vlammen uit te vluchten, het maakt niet uit waarnaartoe. Ze brengt haar kind in veiligheid door zonder op of om te zien, door doof voor de schoten recht op de horizon aan te lopen, zwaar en traag omdat ze moe is, maar zonder stil te staan. Ze sleept haar grootste schat zo ver mogelijk van het gevaar vandaan zonder aan de duur van een terugkeer te denken. Hoewel ze geen woorden meer heeft, sust ze. Ze sust het huilende kleed tot ze bijna geen adem meer heeft.



Een kleed is ook een man, een verdwenen man. Een die ze in gedachten heeft teruggevonden en op haar vlucht meeneemt. Ze weet niet of er nog leven in hem is maar die onwetendheid deert haar niet, hij is haar man, hoe dan ook. Hij weegt haar even zwaar als het versleten kleed, is even hulpeloos. Zoveel heeft ze van hem gehouden. Zoveel houdt ze nog altijd van hem. Hij heeft haar de liefde geleerd. Hij heeft haar kinderen gegeven. Hij heeft haar mooi gevonden. Hij heeft haar teder gevonden. Hij heeft haar verruild voor een andere vrouw maar is teruggekomen. Hij heeft haar toen getroost en nu troost zij hém hoewel ze geen woorden meer heeft, tot ze bijna geen adem meer heeft.



Om haar heen vallen schoten. Om haar heen storten huizen in en branden bomen. Kijk haar eens lopen, steeds zwaarder, steeds trager. Heeft ze dan geen gedachten meer die haar gaande houden?



Jawel.
Wat ze, voor de oorlog uit wankelend, denkt, is dit:
Jij bent alles wat ik bezit. Jij bent het enige wat is overgebleven: woldraden waarover ik een levenlang heb gelopen, die ik heb platgetrapt. Laat me niet in de steek, vloerkleed. Zoals ik je ooit de maat gaf van de plek van mijn geluk, zal ik je nu de maat van de plek van mijn ontreddering geven. Geen muren die je omvatten, geen dak dat je tegen zon en regen beschermt, geen plank die je stut, maar het open veld, een berm. Vraag me niet je achter te laten. Dwing me niet je af te staan.



Een dorp verder denkt ze:
Als kleden mensen zijn hebben ze deugden.
En:
Van alle deugden is trouw de grootste.
En, tenslotte:
Van alle deugden is trouw het zwaarst.



Doof voor de schoten en blind voor de rookwolken gespt ze de riemen los waarmee ze aan het begin van haar vlucht het vloerkleed op haar rug heeft gebonden. Ze rolt het uit tussen de kuilen. Ze sust de uitgehongerde honden met haar laatste geluiden. Dan laat ze zich door de knieën zakken en volgt met haar laatste gedachten het ooit door haar ingeweven patroon.



Ze denkt:
In de lente zal ik je in de wind hangen. Ik zal je kloppen en borstelen, tegen die tijd heb ik adem.
En:
Met mijn nagels zal ik de modder tussen je draden uit krabben, tegen die tijd heb ik kalk.
En, inslapend:
Met azijn haal ik je kleuren op. Geel. Groen. Rood.



FLEUR BOURGONJE