zaterdag 16 april 2011

DE DRAAIDEUR (van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam)

De dag kan alle kanten uit
als je ervoor staat. Eenmaal
de stap gezet de duw gegeven
kom je in de vaste baan, raak je
reddeloos versneden in voorgevoel,
verleden tijd en heden.

Glazen mes dat van buitenaf naar binnen
snijdt. Damwand die oneindig veel meer
van elkaar scheidt dan zandwoestijn
en zeewater. Russische roulette.
Rookgordijn tussen nu en later.

Ook andersom want breuk geheeld,
wond gehecht, man met de zeis
te vuur en te zwaard op dood spoor
gezet, noodtoestand opgeheven, dus draai
draai maar door deur, richting tramhalte,
uitgang leven.


(openingsgedicht van de cyclus De Lichtstraat uit de bundel DE LICHTSTRAAT,
verschijningsdatum eind juni 2011, uitgeverij De Arbeiderspers)

dinsdag 15 maart 2011

OVERSPEL

Kort in de steek gelaten door het rechterbeen.
Waar ging het heen, om welke reden; zo lang
staande gebleven dankzij twee, dezelfde afstand
afgelegd, gelijk gewicht gegeven,
amper verraad gepleegd
en opeens: één.

Dag als alle andere. Ochtendwandeling,
droom afgeschud, werkelijkheid
voor waar gehouden en bezig
daarin pad te banen, een grasmaaier
maakte lawaai, iets vloog over
in een rechte lijn, geen roofvogel
of toch -

Weinig verweer.
Eenheid leunt te zwaar, helft
moet het wel begeven
dacht ik nog, en toen: ga maar jij
daarna: kom terug.

Het kwam terug.
Wat overvloog was uit mijn zicht verdwenen.
Opnieuw gewicht verdeeld, kracht geschat,
het te zware in de armen genomen
alsof het lucht was.

(uit: DE LICHTSTRAAT, verschijningsdatum juni 2011)

maandag 3 januari 2011

JOERT

De wereld is een vilten joert, af te breken
in een uur, opvouwbaar latwerk
tussen touw, te dragen
door een mager dier.

Heelal rondom.
Daarachter niets.

maandag 27 december 2010

STUIFSNEEUW

Het mooie van een winter is het stille,
het witte van binnen. Buiten waaien bomen om
en bevriezen trage rivieren, wegdek laat los
van al dat sneeuwen, dooien, steeds weer
barst een strakke rail uit zijn voegen
komt een schip vast te zitten
raken schotsen op drift.

Binnen is denkbeeldige stuifsneeuw genoeg
om je huid te beroeren, de dingen gebeuren
door je vel heen en raken het been
dat kan breken. Wat te fel oplicht
verdragen je ogen niet meer, hoog geluid
klinkt als een paar tonen lager, het hart
wil de tranen niet langer bedwingen

en mijn ene hand schrijft wat ik nog altijd
niet weet, de andere pakt beet, houdt vast,
omklemt wat niet, wat zo amper
te zien is geweest.